|
“Een leraar zei ooit dat kunst voor 99 procent lijden is. Ik was zestien en ik vond hem een ouwe zak. Maar hij had overschot van gelijk.'' Wim Delvoye (36), de leerling-tovenaar van de hedendaagse kunst, over de babyblues na Cloaca, kinderkaasjes en blauwe snoepjes. katrien françois, foto michiel hendryckx
1. 1977, het Rubensjaar ,,Rubens heeft een geweldige indruk op me nagelaten, hoewel ik nu meer van Velázquez hou. Maar op mijn twaalfde betekende Rubens heel wat. Hij was ook een hele hype in die tijd. Zo had je het Rubensbier en meer van die merchandising. Een wereld ging voor mij open en ik dacht: 'Tiens, zo iemand zou ik ook willen zijn.' Of dat gevoel echt iets met Rubens te maken heeft, weet ik niet, maar tevoren wist ik gewoonweg niet dat zoiets bestond.
Van jongs af ben ik vertrouwd met musea en kerken. Mijn ouders gingen daar graag naartoe en aangezien ik hun braafste kind was, mocht ik mee. Mijn zussen waren te jong en te ongeduldig, maar ik kon uren aan een stuk aandachtig blijven.(lacht) Blijkbaar was ik een rustig ventje met wie een mens kon buitenkomen. Mijn ouders spaarden ook de Soubry-boekjes, maar achter al die prentjes van doeken en kleuren had ik me nooit een persoon van vlees en bloed voorgesteld. Tijdens het Rubensjaar besefte ik dat je een bijzonder iemand kon zijn, al die concepten werden ineens duidelijk. Op de tentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten had ik zoiets van: 'Hé, dat hangt daar en mensen komen ernaar kijken. Amaai zeg.' De notie groeide dat schilderen een job kon zijn. Ik wist wel dat je van tekenen kon leven, maar ik dacht daarbij vooral aan strips of pentekeningen in kranten.
Het idee 'een kunstenaar' te zijn, kreeg daar ineens vorm. Dat we toen niet meer in de zeventiende eeuw leefden, zag ik over het hoofd. Hoewel, zoals het vorstelijk absolutisme ooit de barokkunst leven inblies, bestaat er vandaag misschien een gelijksoortig absolutisme dat de hedendaagse kunst stimuleert. Nu zien we weer een soort barokkunst zoals de mijne, de barok van de eenentwintigste eeuw. Mijn strontmachine, mijn glasramen enzovoort: hoe komt het dat ik dat allemaal mag doen? Wie zijn die nieuwe bazen die dat mogelijk maken?'' 2. Documenta ,,1992 was een plezant jaar. Ik toonde voor een groot publiek mijn Mosaïc (geëmailleerde tegels met hondenpoepmotief), en Documenta was een unieke gelegenheid om het werk te introduceren. De mensen kenden al mijn betonmolen (van gesculptuurd hout)en voetbalgoal (met glasramen), maar dit was toch iets anders. Het was me in dit geval minder te doen om het object dan wel om het natuurlijke en het menselijke lichaam.
In datzelfde jaar had ik ook pas mijn Rose des Vents (bronzen beeldengroep met telescopen) voltooid. Dat beeld bracht reactie teweeg: mensen vonden het schokkend dat iemand met brons werkte, midden in de crisis waarin de kunstwereld toen verkeerde. Brons is heel duur en men vroeg zich af waar zo'n jonge artiest het geld vandaan haalde. Bizar hoe het materiaal op zich als een provocatie ervaren werd.
Brons refereert ook aan het academische, het meer conformistische, en sommigen konden me daar absoluut niet mee associëren. In het avant-gardemilieu wordt een beetje neergekeken op brons, maar Rose des Vents is nog altijd een van mijn lievelingswerken.
In die crisisperiode van de vroege jaren negentig had ik ook een zee van tijd om te lezen en te herbronnen. Ik zeg altijd: 'Was er toen geen crisis geweest, dan was het misschien té vroeg té druk geweest voor mij. Dan zou ik nu misschien opgebrand zijn.' Ik had toen weer tijd zat voor van alles en nog wat: cinema, boeken, de intellectuele input was enorm.
1992 was ook van belang omdat de eerste blauwe M&M's in zakjes uitkwamen. Het is grappig dat ik dat altijd onthouden heb. Tevoren hadden de M&M's alle kleurtjes, maar ineens zaten er ook blauwe bij. (lachend) Wat een openbaring! Niettemin heb ik ze nooit gebruikt in mijn werk.'' 3. Peter Sloterdijk ,,In de jaren tachtig waren de Franse filosofen enorm in de mode, maar ze lagen me niet erg, in tegenstelling tot de Duitse. En zo kwam ik toevallig bij Sloterdijk terecht, een Duits filosoof die ik al lees van in mijn studententijd. Zijn invloed is immens geweest: als ik mijn werken bekijk, besef ik dat de creatie moeilijker zou zijn verlopen zonder die man. Hij is geïnteresseerd in de genetica, hij gebruikt tatoeëren als een metafoor, schrijft de zinnigste dingen over de huid en deelt mijn liefde voor aarzen en stront. In zijn boek Kritiek van de cynische rede komt heel veel scatologie voor.
Peter Sloterdijk heeft me bewuster gemaakt van een aantal zaken die me geïnspireerd hebben. Zijn stempel op Cloaca bijvoorbeeld is onuitwisbaar. Op een bepaald moment zegt hij: 'De aars lijkt ertoe veroordeeld in het donker te leven, de clochard onder de lichaamsdelen. (...) Het gat is de plebejer, de fundamentele democraat en de kosmopoliet onder de lichaamsdelen. (...) Toen men Arletty, destijds een gevierd actrice, verweet dat ze seksuele contacten had gehad met de Duitse bezetters, zou zij geantwoord hebben:Mon coeur est français, mais mon cul est international.' ' Dat geldt ook voor mijn strontmachine. Ik kan er overal mee terecht: ze is universeel en je hoeft niet van hier te zijn of de westerse cultuur te kennen om te begrijpen waar het over gaat. Ik noem het dan ook een Esperanto-kunstwerk. (leest onverstoorbaar voort:)'Het gat verliest nooit het uitzicht op datgene waarop het uiteindelijk aankomt, de vaste bodem. (...) Wie niet wil toegeven dat hij een afvalproducent is en dat hij geen keus heeft om iets anders te zijn, riskeert op een goede dag te stikken in zijn eigen stront.' Prachtig toch! Je hebt er geen idee van hoe deze regels me inspireren.
Pas op, er zijn verschillende schrijvers die ik graag lees. Ik zwoeg bijvoorbeeld al twee jaar lang op Marcel Proust, maar Sloterdijk kan ik altijd gebruiken als illustratie bij mijn werk.'' 4. Het vaderschap ,,Eind augustus van vorig jaar kende ik mijn vriendin Tina nog niet lang. Ze werkte in een New Yorks museum en ze wilde graag mijn Cement Truck (vrachtwagen van gesneden teakhout) in Parijs komen bekijken. Ze kwam overgevlogen voor drie dagen, we gingen samen op stap en duikelden in bed. Het werd een ongelooflijk weekend.
Over enkele vrijpartijen in je leven denk je: 'Wauw! Dat was bingo.' Het zijn van die momenten waarop je achteraf niet meer op je benen kunt staan. Maar goed, Tina keert terug naar New York en ik naar Gentbrugge. Halverwege september begon ik te denken dat het niet zou lukken tussen ons. We kenden elkaar ook niet, hé. Maar ergens in oktober belt ze me 's nachts op met het nieuws dat ze zwanger is. Het was ineens afgelopen met slapen. Ik wou wel kinderen, maar ik was bang om eraan te beginnen. Maar ik vermoed dat we ons onbewust wat meer vrijheid gegund hebben dan op ons twintigste. Als dertiger voel je de klok tikken. Ik ben nu 36, Tina wordt er 30. Maar toegegeven, het voelt wel raar.
Vanaf het moment dat we van de zwangerschap wisten, zijn we beginnen te negotiëren. We hadden het kind -- toen nog 'het' en niet 'hij' of 'zij' -- kunnen wegdoen, maar we besloten elkaar te leren kennen om te zien of we wel bij elkaar pasten. Na een maand heen en weer reizen en veel praten zagen we dat er een grote kans bestond dat het tussen ons zou lukken. Of je elkaar nu zes jaar of zes maanden kent, ik vind het risico even groot.
We maakten een hele revolutie door: ineens moesten we bikkelhard nadenken over wat we van het leven verwachten. De romantiek viel wel een beetje weg, maar al die ingetoomde redeneringen die een mens in zijn achterhoofd heeft over een mogelijke partner, kenden we ook niet en dat was goed. We hadden gewoonweg geen tijd om na te denken over elkaars kleine kantjes. Die zever moest snel opgelost worden. Je kunt het vergelijken met een huis kopen binnen het halfuur. Sometimes you need an accident.
Het kindje wordt in mei geboren en het gaat ongelooflijk vlug. We maken als paar alles voor de eerste keer mee: de eerste verjaardag van Tina in haar nieuwe thuisbasis, onze eerste Kerstmis samen, de eerste winter in België, ... Dat we het kind houden, is trouwens nog opmerkelijker dan de omstandigheden waarin het verwekt werd. We mochten dan wel vreemden zijn, maar we wisten met welk vuur dit kind gesmeed is, en dat gaf krediet.''
5. Baby-Bel ,,Als vijfjarige maakte ik mijn eerste sculptuurtjes uit het donkerrode omhulsel van het Baby-Bel-kaasje. Ik legde dat op de verwarming en toen het zacht werd als warme was, kneedde ik dierenfiguurtjes. Dat was de eerste keer dat ik echt boetseerde, de eerste keer dat ik lang met iets bezig was zonder dat de kleuterklas een rol speelde. Met het Baby-Belletje besliste ik of het een konijn, een zwijn of een kuikentje zou worden, en niet de juf.
Als ik van school met een tekening thuiskwam, ging het meestal om een sjabloon. Je moest bijvoorbeeld een beertje inkleuren en dan uitprikken op een matje, en dan had je dat zogezegd helemaal zelf gemaakt. Voorgekauwde kost natuurlijk. Maar mijn moeder hing dat trots op in de keuken, boven de verwarming. Eigenlijk exposeerde ik al van jongs af aan, want terwijl we aten, zagen we de tekeningen. En de hele familie, die door de achterdeur binnenkwam, kon er ook niet naast kijken. Als ik nu mijn ouders bezoek, zie ik weer tekeningen, maar dan van de kinderen van mijn zussen. Ze hangen op exact dezelfde plaats. Nu zeggen mij ouders: 'Hadden we toen geweten dat het je job zou worden...'
De keuken is veranderd in een galerie en de tekening in eenCloaca. Mijn ouders hielden trouwens al mijn kindertekeningen bij, stuk voor stuk met balpen gedateerd. In 1988 hield ik in Rotterdam een tentoonstelling onder de naam Work from the sixties. Mensen kwamen kijken uit nieuwsgierigheid, want Wim Delvoye was daarvoor toch nog veel te jong? En ze zagen al mijn kindertekeningen,(lacht) historisch belangrijk werk. Nu kan ik dat niet meer doen, want men zou mij pretentieus vinden, maar destijds had ik niets te verliezen. Mijn pa zegt altijd: 'Zelfs toen Wim klein was, schilderde hij al op doek.' Hij heeft het dan over mijn vuile luiers. Ik heb mijn Baby-Bel-creaties niet kunnen bewaren, want er kleefde gauw stof in en de boel werd vreselijk vies. Ik weet nog hoe mijn handjes dagenlang rood bleven. Ik ben er nog altijd gek op. Telkens als ik met Air France vlieg en de stewardess zo'n kaasje brengt, kan ik het niet laten ermee te spelen.'' 6. Cloaca ,,Onlangs mailde ik toevallig met een ex-lief van toen ik 24 was. Ze woont in Sydney en is ook actief in de kunstwereld. En die vrouw vertelde me dat ik al over Cloaca sprak in de periode dat wij samen waren. Ik ben daar inderdaad acht jaar mee bezig geweest, waarvan twee heel actief. Goed wetend dat het me eenzelfde postnatale depressie ging opleveren als na mijn getatoeëerde varkens.
Ik stel me voortdurend de vraag: 'Wat kan ik nog doen na zo'n machine?' Je steekt daar al je geld en energie in en je stevent af op de babyblues, zo voel ik me nu. Maar sommige zaken zal ik nooit vergeten. Bijvoorbeeld het moment waarop het Vlaams Blok in Antwerpen wint. In een krant vind ik de cartoon van een ventje met een gsm en een schematische voorstelling van Cloaca, en je ziet hoe er stront overloopt en er een hele berg kak ontstaat. Het mannetje zegt: 'Er is hier een probleem in Antwerpen.' De stront stond natuurlijk voor de bruine partij. Op zo'n moment was ik er geweldig trots op hoe Cloaca uitgroeide tot een icoon buiten de kunstwereld. En tegelijkertijd schrok ik ervan hoe goed ik mijn doel bereikt had met die machine. Nu is het zo dat mijn medewerkers en ik spreken over 'voor' en 'na' Cloaca, zoals 'voor' en 'na' Christus. Mijn kakmachine is als het ware een sluitstuk van een periode. Op artistiek vlak heb ik nooit tevoren zo'n kentering gekend. Die machine heeft mijn hele leven verpletterd, en heeft iederéén hier verlamd.
Cloaca vrat ook fysiek aan ons. In juli vorig jaar wist ik nog niet eens of het wel ging lukken, maar zodra het nieuws uitlekt dat je ermee bezig bent, wordt de stress pas echt zwaar. En nu ligt de lat enorm hoog. Het minste wat ik doe, wordt vergeleken met de strontmachine. (Nu werkt Delvoye aan een vervolg opTrans-Parity: Chapel-- twaalf glasramen op basis van röntgenfoto's.)
We ondervinden ook problemen met de vacuümverpakte stront: de epoxy zet uit en het glas breekt door de druk van binnenuit als de stront gaat fermenteren. Verpakken in een metalen blik lukt ook niet. En formol al evenmin, want dan valt de stront in stukjes uiteen, en dan krijg je gewoon strontwater. De machine staat hier bij mij op de benedenverdieping en het is heel ontluisterend om dat ding op die manier te zien. Ik moet werkelijk mijn best doen om me haar in te beelden zoals ze in het MUHKA stond. De magie is een beetje weg, er rest niets meer dan een hoop buizen. Drie maanden lang was die machine een mens voor ons: we hebben ze schoongemaakt, gewassen, gerepareerd, eten gegeven. En nu is de baby dood. En ik voel wel enige melancholie, maar ik ben toch ook blij dat het afgelopen is. Nu besef ik ook hoe al mijn vroegere werken in feite een voorspelling waren van Cloaca: ik noem ze de pre-Cloacaatjes.'' 7. De val van de Berlijnse Muur ,,Een onvergetelijke gebeurtenis. Op het moment dat de Muur viel, zat ik bij mijn ouders voor de televisie. Ik was echt ontroerd, ik heb zelfs een beetje geweend. Mijn hele puberteit lang had ik rondgelopen met het Koude-oorloggevoel: waarom moest ik studeren als het toch gedaan was met ons? Die gedachte leefde in de punktijd.
En eensklaps gebeurt er iets. Het onmogelijke wordt realiteit, zo snel en zo verrassend. Ik was enorm onder de indruk. De perestrojka en glasnost, woorden die iedereen in de mond had, gebruikte ik ook graag als metafoor voor wat ik deed met mijn voetbalgoal, gasflessen, strijkplanken. Men vond dat allemaal wat kitscherig, het mocht niet. In de kunst was toen de harde modernistische lijn in de mode, weet je wel. Ik streefde naar een ontdooiing ten opzichte van de meer abstracte en geometrische kunst.'' 8. Het doodsbesef ,,Het ogenblik waarop ik doorhad dat mensen sterven, heb ik verschrikkelijk gehuild. Ik moet nog geen vijf jaar geweest zijn, en toch bedacht ik op een bepaald moment dat levende wezens niet alleen geboren worden, maar ook doodgaan. Het was heel triest, ik voelde me verraden.
Ik weet niet meer wat die gedachte precies veroorzaakte. Misschien was een van mijn konijnen gestorven. Maar ik weet nog heel goed dat ik huilend in mijn bedje rechtop zat, en dat ik besefte dat mijn ouders niets konden doen. Een heel ontnuchterend gevoel, want voor een kind zijn mama en papa helden die alles oplossen wat fout loopt. Ik voelde me van het ene moment op het andere van 'heel veilig' naar 'heel onveilig', want sterven ging je zeker doen, zelfs als je ouders dat niet wilden. Plots vond ik heel veel dingen deprimerend en nutteloos. Ik dacht: 'Als mensen dan toch doodgaan, waarom verrichten ze dan al dat werk?' Misschien had ik die redenering per ongeluk opgevangen van een volwassene. Het was een vreemde gewaarwording: papa, mama, grootmoeder en grootvader zijn de sterkste mensen op de wereld, hé, en dan zie je ineens dat ook zij zullen sterven.
Nu beschouw ik doodgaan als iets wat een ander overkomt, maar toen voelde ik me werkelijk als een terdoodveroordeelde. Misschien heeft mijn broertje, dat een jaar voor mijn geboorte gestorven is, een rol gespeeld. De eerste jaren was hij een kruisje dat bezocht werd met Allerzielen en Allerheiligen, een wit kruisje dat Bartje heette. Het was hij of ik. Was hij blijven leven, dan was ik nooit verwekt. Maar dat besefte ik toen niet. Op dat moment vond ik het leven gewoon onrechtvaardig, een systeem dat niet goed in elkaar zat. Nu ken ik dat gevoel nooit meer. Als er iemand doodgaat, ben ik nooit echt triestig omdat ik het simpelweg niet kan geloven.'' 9. Het woestijnmuisje ,,Er is een meisje aan wie ik de jongste tijd af en toe terugdenk. Ik herinner me haar naam niet meer, maar ze studeerde in Gent aan Sint-Lucas, waar ik ook naar school ging. Op een dag hing er aan het prikbord met nieuwtjes een papiertje: 'Wie wil er een woestijnmuisje? Gratis.' Ik was wel nieuwsgierig en belde het nummer. Ik kreeg toen een meisje aan de lijn dat een woestijnmuisje bij zich op kot had, en het van haar moeder moest wegdoen. Ze gaf het liever gratis aan een persoon die er goed voor zou zorgen dan het duur te verkopen -- zo'n beestje kostte blijkbaar veel geld. Het meisje vroeg me eens te komen kijken en toen ik daar aankwam, zag ik twee muisjes(lacht).
Ze had haar kot boven De Rimboe, een dierenwinkel in het centrum van Gent, en altijd als ik daar passeer, denk ik aan haar. Pas na drie à vier bezoekjes heb ik het woestijnmuisje meegenomen. Al de keren ervoor had ik meer interesse voor het meisje. Het was een heel mooie ervaring, veel innerlijker dan de eerste complete seksuele ervaring niet zo lang erna, met iemand anders. Ik vraag me nog altijd af wat er gebeurd is met het meisje van het muisje. Is ze getrouwd? Heeft ze kindjes? Pas na vijftien jaar begint me dat te interesseren. Raar.'' 10. Verhuizen ,,Op mijn achttiende liet ik het kleine West-Vlaams dorp Wervik achter me om in Gent te studeren. Mensen, dat was een belevenis. Het klinkt grappig, maar de stap van Wervik naar Gent had een revolutionairder karakter dan die van Gent naar New York, waar ik de jongste jaren geregeld verblijf.
Als jonge gast stelde ik me Gent als groot en gevaarlijk voor. Het was de grootstad. De vrijheid trok me aan, voortaan moest ik het alleen doen. De eerste maanden ging het me alleen maar om 'in Gent zijn'. Dat vormde een activiteit op zich, het was hét gespreksonderwerp.
De eerste keer Indonesië, in 1990, was een ware cultuurschok. De mensen zijn er zo compleet anders: hun taal, cultuur, ontwikkeling. Wat een omwenteling! Je moet weten dat ik er echt leefde, ik was daar niet op vakantie. Ik werkte aan mijn betonmolens en zocht in Indonesië naar houtsnijwerkers. Jarenlang pendelde ik tussen België en Indonesië, ik leerde de taal en had er vrienden gemaakt. Op een bepaald moment voelde ik me net als Gauguin. In al mijn enthousiasme overwoog ik zelfs ernstig om er permanent te gaan wonen.
In Indonesië brak ik met álles: de Vlaamse properheid, de kneuterigheid, de georganiseerdheid. Na 1993 was ik die cultuur beu en ging ik terug naar België. Ik had nog de tekeningen voor de vrachtwagens liggen, maar de uitvoering bleek te duur, ook in Indonesië. Toen door de Aziatische crisis de roepia zakte, kon het wel. Rond 1997 ging ik terug. Ik heb er onbeschrijflijke dingen gezien. Ik dacht dat ik ginds alles kende, maar de situatie was totaal veranderd. Het was onvoorstelbaar: de studentenbetogingen tegen Soeharto, Habibi, de pogroms, grootwarenhuizen werden uitgebrand, mannen uitgemoord. Ik zag stukken van vingers liggen, of een teen. Die angst en onveiligheid vergeet ik nooit meer. Mijn grootouders hebben twee oorlogen meegemaakt. En wat heb ik beleefd? Niets, op mijn belevenissen in Indonesië na. De Berlijnse Muur en de zonne-eclips: dat isgene vetten in vergelijking met een oorlog. Op zulke momenten vraag ik me echt af wat ik eigenlijk doe als kunstenaar.''
|